Consument of niet?

Op 19 september 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden een interessant arrest gewezen. Het arrest gaat over een koper van een paard – een top mensporter met een omvangrijke stal met paarden – die zich beroept op consumentenbescherming.

Eerst nog even de dwingendrechtelijke regelgeving met betrekking tot consumentenkoop. Regelgeving waar partijen bij een verkooptransactie altijd aan gebonden zijn, zelfs als zij onderling andere afspraken maken. De wet bepaalt dat een zaak – een paard is volgens de wet een zaak – niet beantwoordt aan de overeenkomst, indien die zaak, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die verkoper over die zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen en de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
Verder bepaalt de wet dat bij een consumentenkoop de zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Deze zogenaamde omkering van de bewijslast – het “wettelijke vermoeden” – geldt alleen bij consumentenkoop. Dat betekent dat de verkoper moet hebben gehandeld in de hoedanigheid van een beroep of bedrijf en dat de koper moet hebben gekocht als consument, dus niet in de hoedanigheid van een beroep of bedrijf.

CONSUMENT, BEROEP, BEDRIJF?

In mijn hippische advocatenpraktijk kom ik bijna dagelijks situaties tegen waarbij de verkoper zich er achteraf op beroept te hebben gehandeld als consument, dus niet in de hoedanigheid van een beroep of bedrijf terwijl daaraan tenminste getwijfeld kan worden, omdat de betreffende verkoper voor buitenstaanders als een professional, in de zin van beroeps- of bedrijfsmatig, handelde.
Uiteraard komt het bijna even vaak voor dat een professionele koper zich later (graag) voordoet als consument. Helaas zie ik maar zelden dat partijen bij een verkooptransactie van een paard vooraf hun juridische status als koper of verkoper vastleggen. Bijvoorbeeld: indien een professionele paardenhandelaar een paard verkoopt dat niet behoort tot het vermogen van zijn onderneming, maar tot zijn particuliere vermogen en die zelfde professional het paard niet kent, bijvoorbeeld omdat hij het heeft geërfd en het paard elders is gestald en hij het paard daarom nog nooit heeft gezien, kan niet zonder meer gezegd worden dat hij handelde als professional bij de verkoop van dat specifieke paard. Indien een dergelijke situatie van tevoren wordt vastgelegd en dat aan de koper uitdrukkelijk is meegedeeld, is de kans dat de rechter de verkoper als consument beschouwt vanzelfsprekend groter. Slechts in enkele gevallen wordt voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst door de verkoper aan de koper duidelijk gemaakt dat verkoper in privé – en dus als consument – handelt en niet in het kader van een beroep of bedrijf.

Terug naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 19 september 2017.
Daar ging het om het volgende.

Het was in die zaak vooralsnog onduidelijk of de activiteiten van de koper als topsporter in de mensport moesten worden aangemerkt als een beroep of bedrijf. Vóór die aanname pleit dat koper een grote en gerenommeerde stal bezit met tientallen paarden en dat hij nationaal en internationaal aan vele wedstrijden deelneemt en dat al vele jaren op hoog niveau. In de andere richting wijst de omstandigheid dat koper tevens een melktransportbedrijf bezit waarin hij werkzaam is. De vraag is of koper kan worden beschouwd als een consument.
Het Hof heeft in verband met die onduidelijkheid de koper in de gelegenheid gesteld nader te onderbouwen waarom hij als consument moet worden aangemerkt. Daarbij overwoog het Hof dat de volgende omstandigheden van belang zijn:
– het tijdsbeslag dat in de afgelopen jaren met de mensport gemoeid is geweest, in verhouding tot het tijdsbeslag van het melktransportbedrijf;
– de baten en lasten van de mensportactiviteiten;
– opbrengsten van in- en verkoop van paarden;
– kosten van de stal;
– prijzengelden enzovoorts;
– de fiscale behandeling van een en ander, eveneens in verhouding tot inkomsten uit het melktransportbedrijf;
– de vraag of in de paardensport (zoals bij sommige andere sporten) onderscheid wordt gemaakt tussen amateurs en profs en in welke categorie koper optreedt;
– andere relevante omstandigheden.

Vervolgens heeft koper in deze procedure nadere gegevens aan het Gerechtshof verstrekt over zijn melktransportbedrijf. Koper is algemeen directeur van dat bedrijf. Het bedrijf houdt zich bezig met transport van melk en andere vloeistoffen en het vervoeren van handelsgoederen. Koper heeft een rapport van een accountant overgelegd waaruit blijkt dat koper zelf contractueel 40 uur per week werkt, dat de geconsolideerde omzet in de jaren 2011 tot en met 2015 fluctueerde en hoeveel zijn salaris bedroeg.
Uit dat accountantsrapport blijkt niet dat is onderzocht hoeveel tijd koper daadwerkelijk aan zijn melktransportbedrijf besteedt. Koper stelde weliswaar dat hij daaraan feitelijk meer dan 40 uur per week besteedt, maar hij heeft die stelling niet verder onderbouwd. Maar daarmee is, volgens het Hof, nog niet gezegd dat koper niet daarnaast nog een tweede beroep/bedrijf heeft, namelijk in de paardensport. Daarvoor is meer informatie nodig en die informatie heeft koper nauwelijks gegeven. Koper heeft niets naar voren gebracht over het tijdsbeslag dat hij in de daaraan voorafgaande jaren met de paardensport bezig is geweest. Met betrekking tot de baten en lasten van deze sportactiviteiten deelt koper slechts mee dat er geen financiële bescheiden beschikbaar zijn, omdat het gaat om een privé-activiteit die niet in de administratie is vastgelegd.
Het Hof overweegt echter dat het ondenkbaar is dat koper daarvan niet enige administratie beschikbaar zou hebben en dat koper dus geen enkel idee heeft wat de exploitatie van zijn stal hem oplevert. Koper geeft niet aan hoeveel paarden hij in de afgelopen jaren heeft in– of verkocht en ook geeft hij niet aan wat de resultaten daarvan zijn geweest. Koper deelt niets mee over prijzengelden maar verwijst naar een FEI-databaseoverzicht en beweert dat hij aan drie internationale wedstrijden heeft deelgenomen en dus slechts zeer beperkt de topsport beoefent.
Verkoper daarentegen overlegt vele wedstrijduitslagen waarop koper voorkomt. Koper brengt nog wel stukken in het geding waaruit blijkt dat in de mensport zowel amateurs als profs aan alle wedstrijden kunnen deelnemen. Verkoper stelt dat uit de omstandigheid dat het melktransportbedrijf van koper als sponsor voor zijn paardensportactiviteiten optreedt, zou moeten kunnen worden afgeleid dat de paardensport als bedrijf geldt.
Terecht volgt het Gerechtshof die stelling van verkoper niet. Het feit dat er wordt gesponsord, legt geen gewicht in de schaal bij de afweging of de paardensport in dit geval moet worden gezien als een beroep of bedrijf.

Het Hof oordeelt vervolgens dat het op de weg van koper ligt om zijn hoedanigheid van consument te onderbouwen, althans aannemelijk te maken, en het Hof komt dan tot de conclusie dat koper onvoldoende heeft aangetoond dat zijn paardensportactiviteiten niet zijn te kwalificeren als beroep of bedrijf, maar slechts als een hobby. Dat betekent dat koper zich niet kan beroepen op de wettelijke bepaling waarin is vastgelegd dat uitsluitend voor de consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien de afwijking van het overeengekomen zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart. En dus moet koper bewijzen dat het paard reeds bij aflevering leed aan de gebreken die zich later hebben geopenbaard.
Vervolgens komt er in die zaak dan een deskundige – een hoogleraar verbonden aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht – aan de orde die op verzoek van beide partijen antwoord heeft gegeven op de vraag of de gebreken die het paard had al ten tijde van de koop aanwezig waren.
Daaruit blijkt dan dat ten tijde van het onderzoek op basis van de beschikbare gegevens het niet mogelijk is om vast te stellen dat die gebreken reeds in enig (voor–)stadium aanwezig waren ten tijde van de koop. Dat betekent dat de koper in hoger beroep de zaak verliest. In eerste instantie was de koper in het gelijk gesteld en was de koopovereenkomst ontbonden en moest koopsom worden terugbetaald. Na de uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden dient deze situatie teruggedraaid te worden en zal de koper de koopsom opnieuw moeten betalen aan verkoper, te vermeerderen met rente. Het lot van het paard blijkt verder niet uit de uitspraak. Maar ik ga er vanuit dat het paard zich weer bij koper bevindt.

 

CONCLUSIE

Helemaal revolutionair is de uitspraak niet, maar het komt niet vaak voor dat iemand die uitgebreid “in de paarden zit” naast een “reguliere” baan, toch niet als consument wordt aangemerkt. Het arrest geeft een mooie feitelijke uitwerking van wat het Europese Hof en lagere rechters eerder al oordeelden, namelijk dat het begrip consument een objectief en functioneel begrip is, dat afhangt van het criterium of de specifieke rechtshandeling valt binnen de activiteiten die buiten de beroepsactiviteit vallen. Het gaat zoals bijna altijd in ons Nederlandse recht om de specifieke omstandigheden van het individuele geval en dat betekent werk aan de winkel voor koper en verkoper en hun advocaat. Beschrijf voorafgaand aan de transactie uitvoerig welke hoedanigheid partijen hebben en beogen en komt het tot een procedure dan zal uitvoerig en gemotiveerd moeten worden gesteld waarom een partij wel of geen consument is. In deze zaak is dat blijkens de overweging van het Hof aan de zijde van de koper onvoldoende geweest om aan te kunnen nemen dat koper met een omvangrijke stal en als top mensporter daadwerkelijk handelde als consument.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact op met Wibe Reddingius door te bellen naar 010 – 411 41 46 of te mailen naar reddingius@langelaarklinkhamer.com.

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift De Hippische Ondernemer

Gerelateerde blog posts

Comments
Wibe Reddingius
Wibe Reddingius

Wibe Reddingius is advocaat en partner bij Langelaar Klinkhamer Advocaten. Hij specialiseert zich op het gebied van het ondernemingsrecht, contractenrecht en (internationaal) handelsrecht. Daarnaast is Wibe specialist op het gebied van het hippisch recht en is hij als zodanig advocaat van bekende ruiters en amazones, fokkers, handelaren en hippische brancheorganisaties. Vragen naar aanleiding van deze blog post? Neem contact op met Wibe door te mailen naar reddingius@langelaarklinkhamer.com.

Nederlands