Een gestolen paard: wat betekent dit voor u als eigenaar, gerevindiceerde of stalhouder?

Om maar even in huis te vallen: het paard bekleedt geen bijzondere positie in het Nederlandse recht dat geldt tussen private personen. Afgezien van de mogelijkheid dat een dier zijn baas aan een onvoorziene aansprakelijkheidspositie jegens derde personen helpt, wordt een dier gezien en behandeld als ieder ander stoffelijk goed. Een paard is een dier, dus ook paarden worden naar Nederlands recht niet anders behandeld dan, zeg, een auto of wasmachine.

Bezit en houderschap

Bezit heeft naar Nederlands recht wél een bijzondere functie. Degene die een goed in bezit heeft, wordt namelijk vermoed ten opzichte van dat goed de rechthebbende te zijn. Dit mag ook wel worden begrepen als: jij gedraagt je als eigenaar, dan ben je waarschijnlijk eigenaar. Bezit draait in wezen niet zozeer om het hebben van een goed, maar om het kunnen en mogen uitoefenen van de macht over dat goed.

Andersom wordt degene die een goed houdt, vermoed dat goed voor zichzelf te houden. Houderschap – dat is het hebben van goederen zonder die goederen te bezitten, zoals bij de huur van een trailer – is dus de weg naar bezit en bezit is de route naar eigendom.

Bijna altijd zullen betrokken partijen wel weten wie welke rol bekleed. De trainingsstal zal zich niet als eigenaar van andermans paard zien, laat staan dat een veearts die een paard op zijn kliniek heeft staan (zodat hij houder is geworden) zonder meer wordt beschouwd als eigenaar van het paard. Deze materie is behoorlijk theoretisch. In de wet vervullen bezit en houderschap dan ook signaalfuncties. De wet creëert als het ware een startpunt om eigendomsconflicten tussen elkaar tegensprekende partijen te ontwarren. De meest lastige eigendomsconflicten ontstaan bij diefstal. Het gebeurt immers nogal eens dat gestolen goederen worden geheeld, ofwel door de dief worden verkocht. Soms wel een aantal keer, totdat een nietsvermoedende koper een paard koopt dat van diefstal afkomstig is.

 

Positie ontstolene

Een geluk bij een ongeluk. Het paard is gestolen en wordt na enige tijd teruggevonden, maar de huidige bezitter weigert het paard af te staan. Kunt u uw paard dan nog terugkrijgen? Ja, dat kan, maar mogelijk kleven er juridische complicaties aan. De hoofdregel in het Burgerlijk Wetboek is dat een ontstolene vanaf de dag van diefstal gedurende drie jaar zijn eigendom kan opeisen. De rechthebbende kan een zogenaamd conservatoir beslag tot afgifte op het paard laten leggen en daarbij verzoeken om het paard in bewaring te geven aan een bewaarder. Verkoop van het paard is door het beslag strafbaar geworden én het paard staat bij een betrouwbare bewaarder gestald. Om de werking van het conservatoire beslag te behouden, zal een hoofdzaak (een rechtszaak, meestal bij de Rechtbank) moeten worden gestart binnen de daarvoor, door de Voorzieningenrechter die toestemming gaf voor het beslag en de bewaring, gegeven termijn van meestal 14 dagen na het leggen van het beslag. Om beslag te kunnen leggen en vervolgens bij de Rechtbank een rechtszaak aanhangig te kunnen maken hebt u een advocaat nodig. Natuurlijk is het daarbij belangrijk dat u over zoveel mogelijk bewijs beschikt dat het paard aan u in eigendom toebehoort. U draagt als beslaglegger en eiser in de rechtszaak het zogeheten bewijsrisico, want de bezitter wordt vermoed eigenaar te zijn. Hebt u geen paardenpaspoort meer, staat het paard nergens op uw naam geregistreerd en is het paard bij aankoop contant betaald zonder kwitantie, dan is uw bewijspositie zwak. Beschikt u wel over een paardenpaspoort en beschikt u over een koopovereenkomst en betalingsbewijzen en hebt u bijvoorbeeld foto’s van u met uw paard, dan maakt dat uw bewijspositie sterk. Ik wijs er nog maar eens op dat het paardenpaspoort geen eigendomsbewijs is, maar natuurlijk wel bijdraagt aan dat bewijs.
Naast het bewijsrisico, bestaat er mogelijk nog een blokkade voor de rechthebbende. Indien het paard werd verkocht en gekocht en zo nog een aantal malen, totdat het bij een professionele handelaar terecht kwam die niets van de diefstal behoefde of kon weten, waarna deze handelaar het paard doorverkocht aan een privépersoon, dán heeft de oorspronkelijke eigenaar pech. De koper te goeder trouw, zoals de nieuwe eigenaar ook wel wordt genoemd, geniet wettelijke bescherming. Consumenten hoeven namelijk niet te twijfelen aan de handel van een professionele verkoper. Deze bescherming gaat boven die van de oorspronkelijke eigenaar.

 

Positie gerevindiceerde

Wat nu als er ineens een deurwaarder aan uw hek staat om uw paard in conservatoir beslag en in bewaring te nemen? Uw stal is dan leeg en mogelijk bent u nooit eigenaar geworden, maar steeds bezitter geweest. Het bewijsrisico ligt in de eerste plaats bij degene die beweert eigenaar te zijn. Dit is zo, omdat u als bezitter wordt vermoed eigenaar te zijn. Door het bewijs van uw wederpartij zal de kluwen mogelijk kunnen worden ontward. De wederpartij zal tenminste aannemelijk moeten maken dat het paard van hem werd gestolen. Om terug te keren naar de juridische terminologie: bewezen zal moeten worden dat u door koop bezitter bent geworden, maar nooit eigenaar. Als de gehele zaak zo klaar als een klontje lijkt en u inderdaad geen eigenaar maar slechts bezitter van het paard was – u bent dan gerevindiceerde – , dan komt u een vordering toe tot vergoeding van kosten en schade. Met andere woorden: u kunt de rechthebbende vragen om gemaakte schade en kosten – dus ook de koopprijs! – aan u te vergoeden. U raakt het paard dus kwijt, maar wordt wel gecompenseerd. Het is hierbij belangrijk om te realiseren dat rechters met vorderingen tot vergoeding van schade en kosten nogal eens rekkelijk omgaan. Het komt heel vaak voor dat niet alle schade en kosten volledig worden vergoed.

 

De stalhouder

Hiervoor ging het over de positie van de ontstolen eigenaar of “gerevindiceerde” bezitter van een paard. Maar hoe zit het als u van het houden van paarden voor anderen uw beroep maakt? De verstandige ondernemer sluit met zijn verzekeraar of bij zijn verzekeringstussenpersoon een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) af. Zeker als er een groot verschil bestaat tussen de verdiensten op en de waarde van zijn bedrijfsmiddelen. Anders gezegd: als er waardevolle paarden op stal staan terwijl aan maandelijks stal- en trainingsgeld slechts een fractie daarvan wordt verdiend. Afhankelijk van de polisvoorwaarden, uw geschiedenis als verzekerde en de beveiligingsinrichting van uw stal, zullen verzekeraars doorgaans overgaan tot betaling van schade indien andermans paard bij u op de stal wordt gestolen. Dergelijke dekking is van groot belang – én dus het bespreken met uw verzekeraar of tussenpersoon waard! – voor uw positie jegens de eigenaar van het gestolen paard.

Bent u manegehouder en staat het paard bij u slechts op stal – u bent dan naast stalhouder ook middellijk houder – dan heeft u relatief weinig verantwoordelijkheden en kan van u meestal ten hoogste een vergoeding wegens de niet-nakoming van de (stallings-)verbintenis worden gevorderd. Ofwel: de manege dient te voldoen aan de eisen die aan de gemiddelde manege mogen worden gesteld. Deze vordering wordt ook wel een vordering uit wanprestatie genoemd. Voor toewijzing van een vergoeding door de rechter moet u wel laakbaar hebben gehandeld; de mogelijkheid van de diefstal moet u kunnen worden toegerekend. De schade is in het geval van het gemiddelde paard van een hobbyist nog wel te overzien, omdat de schade veelal overwegend zal bestaan uit de handelswaarde van het paard. Er wordt met het paard niet verdiend. Bovendien kent de wanprestatie beperkingen in de toewijsbaarheid; schade hoeft niet te worden vergoed indien de wanprestatie niet toerekenbaar is of er sprake is van overmacht. Denk hierbij aan voldoende adequate beveiligingsmiddelen respectievelijk een gewapende overval.

Bent u daarentegen hengstenhouder en staat bij u een succesvolle hengst van iemand anders ter dekking, dan liggen de zaken toch iets precairder. Afhankelijk van hoe de zaak in elkaar steekt, kan een onrechtmatige daad toewijsbaar zijn, of is de wanprestatie gemakkelijker toewijsbaar, indien aangetoond wordt dat u bewust roekeloos heeft gehandeld. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde zijn, wanneer u de dure dekhengst aan de weg zonder toezicht heeft geweid. Het diefstalrisico staat dan niet in verhouding tot de waarde van de hengst. Met andere woorden: u had moeten weten dat deze situatie diefstal in de hand werkt, de handeling is bewust roekeloos. Het klinkt zwaar, maar zo’n inschattingsfout kan kwalificeren als onrechtmatige handeling. Door de aantoonbaarheid van de aan u toerekenbare onrechtmatigheid kan het goed zijn dat van u niet alleen de waarde van de hengst, maar ook de waarde van het verloren dekgeld wordt gevorderd. Zoals gezegd, het is dus altijd een goed idee om uzelf te verzekeren tegen bedrijfsaansprakelijkheid én de diefstaldekking goed te bespreken met uw adviseur.

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift De Hippische Ondernemer

Gerelateerde blog posts

Comments
Wibe Reddingius
Wibe Reddingius

Wibe Reddingius is advocaat en partner bij Langelaar Klinkhamer Advocaten. Hij specialiseert zich op het gebied van het ondernemingsrecht, contractenrecht en (internationaal) handelsrecht. Daarnaast is Wibe specialist op het gebied van het hippisch recht en is hij als zodanig advocaat van bekende ruiters en amazones, fokkers, handelaren en hippische brancheorganisaties. Vragen naar aanleiding van deze blog post? Neem contact op met Wibe door te mailen naar reddingius@langelaarklinkhamer.com.

Nederlands