Langere “garantietermijn” bij consumentenkoop en rechtskeuze

In 2019 is de richtlijn (EU) 2019/771 (“de richtlijn”) aangenomen die nieuwe regels over consumentenkoop bevat. De lidstaten van de Europese Unie moeten deze richtlijn omzetten naar nationale wetgeving. In dit artikel worden de gevolgen van deze richtlijn voor de consumentenkoop van paarden in Nederland besproken.

HUIDIGE “GARANTIETERMIJN”

Op dit moment geldt naar Nederlands recht bij consumentenkoop de regel dat als een gebrek aan de gekochte zaak binnen zes maanden na aflevering aan het licht komt, de zaak (in beginsel) wordt vermoed bij aflevering niet aan de koopovereenkomst te hebben beantwoord. Dit zogenoemde bewijsvermoeden helpt de consument, omdat de consument niet hoeft te bewijzen dat de zaak al bij aflevering gebrekkig was. Voor de verkoper is deze bepaling juist ongunstig: hij moet namelijk bewijzen dat de zaak bij aflevering niet gebrekkig was.

Een voorbeeld: een consument koopt van iemand die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf een paard om daarmee aan springwedstrijden deel te nemen. Achteraf blijkt het paard daarvoor niet geschikt als gevolg van peesproblemen. De consument kan in dat geval binnen zes maanden na aflevering de koopovereenkomst ontbinden. Het is dan aan de verkoper om te bewijzen dat de peesproblemen op het moment van aflevering nog niet bestonden.

RICHTLIJN: VERLENGDE “GARANTIETERMIJN”

De richtlijn bevat een soortgelijke regeling, alleen is daarin een termijn van één jaar opgenomen in plaats van zes maanden. De EU-lidstaten moeten deze regeling in hun nationale wetgeving opnemen. De richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om in plaats van de termijn van één jaar een termijn van zelfs twee jaar te hanteren. Zes maanden wordt in de paardenhandel al als een lange en onzekere periode ervaren. Een paard is immers een levend wezen, anders dan een wasmachine of auto. Bij een paard kunnen zich plotseling tal van karakter- of gedragsstoornissen en veterinaire problemen ontwikkelen, zonder dat bewezen kan worden dat die bij aflevering niet bestonden. De lidstaten hebben de mogelijkheid om de richtlijn buiten toepassing te verklaren voor de koop van levende dieren. De paardenhandel zou daarbij gebaat zijn.

NEDERLANDS WETSVOORSTEL

De EU-lidstaten moeten de richtlijn uiterlijk op 1 juli 2021 hebben omgezet naar nationale wetgeving, die vervolgens op 1 januari 2022 in werking zal treden. Afgelopen februari is hiervoor een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. In dit voorstel is helaas geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de koop van levende dieren uit te zonderen van toepasselijkheid van de richtlijn. Verder is ervoor gekozen om de “garantietermijn” vast te stellen op één jaar. Het wetvoorstel is nog niet aangenomen en kan dus nog worden gewijzigd.

GEVOLGEN

Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, heeft dit grote gevolgen voor de consumentenkoop van paarden. Voor de verkoper zijn deze gevolgen zeer nadelig. Tot maar liefst een jaar na aflevering kan de consument de verkoper er vrij gemakkelijk op aanspreken dat het paard niet voldoet en de koopovereenkomst ontbinden. De verkoper loopt met dit wetsvoorstel dus nog eens zes maanden langer dan onder huidig recht het risico dat de consument de koopovereenkomst met succes ontbindt en verkeert hierdoor nog langer in onzekerheid.

RECHTSKEUZE?

Ik heb al gehoord dat Nederlandse paardenhandelaren zich afvragen of – als het wetsvoorstel wordt aangenomen – het niet verstandiger is om in de toekomst een ander, gunstiger recht van toepassing te verklaren op hun koopovereenkomsten. Bedoeld wordt: het recht van een lidstaat waar de richtlijn buiten toepassing is verklaard voor de koop van levende dieren. In dat geval geldt het bewijsvermoeden namelijk niet en moet de consument bewijzen dat het gebrek al bij aflevering bestond. Toch kan het zo zijn dat de consument ondanks zo’n rechtskeuze een beroep kan doen op het bewijsvermoeden.

Als de koper een Nederlandse consument is, dan geldt dat ondanks de rechtskeuze dwingendrechtelijke bepalingen van Nederlands recht van toepassing zijn. Dwingendrechtelijke bepalingen zijn wetsbepalingen waarvan partijen niet mogen afwijken. De Nederlandse wetgeving naar aanleiding van de richtlijn zal van dwingend recht zijn. Dat betekent dus dat de Nederlandse consument gewoon een beroep kan doen op het bewijsvermoeden van één jaar uit de Nederlandse wetgeving.

Als de consument in een andere EU-lidstaat woont, dan geldt onder omstandigheden dat ondanks de rechtskeuze de dwingendrechtelijke consumentenbeschermende bepalingen uit het recht van zijn woonland gelden. De wetgeving die de lidstaten naar aanleiding van de richtlijn opstellen is van dwingend recht. Als de betreffende lidstaat de richtlijn van toepassing heeft verklaard op de koop van levende dieren, kan de consument een beroep doen op het bewijsvermoeden. Als de lidstaat dat heeft bepaald, kan er zelfs een “garantietermijn” van twee jaar gelden.

CONCLUSIE

Het is dus nog even afwachten of het huidige Nederlandse wetsvoorstel wordt aangenomen. Als dat het geval is, zijn de gevolgen voor de consumentenkoop van paarden voor de paardenhandel groot: de termijn waarbinnen de consument de koopovereenkomst met grote kans op succes kan ontbinden, wordt in dat geval verlengd en gaat twaalf onzekere maanden duren.

Wibe Reddingius

Wibe Reddingius is advocaat en partner bij Langelaar Klinkhamer Advocaten. Hij specialiseert zich op het gebied van het ondernemingsrecht, contractenrecht en (internationaal) handelsrecht. Daarnaast is Wibe specialist op het gebied van het hippisch recht en is hij als zodanig advocaat van bekende ruiters en amazones, fokkers, handelaren en hippische brancheorganisaties. Vragen naar aanleiding van deze blog post? Neem contact op met Wibe door te mailen naar reddingius@langelaarklinkhamer.com.