Wanneer is er sprake van smaad of laster?

Met de intrede van social media is een eenvoudig bericht binnen enkele seconden de hele wereld rond. Een bericht is snel getypt en daarmee aantrekkelijk om de eerste emoties wereldkundig te maken. Zulke berichten kunnen over heuglijke feiten gaan, maar ook over minder heuglijke feiten. Minder heugelijke feiten en conflicten zijn in de hippische branche aan de orde van de dag. Ook bij die conflicten spelen emoties een belangrijke rol. Daarnaast gaat het conflict natuurlijk vaak over paarden, over levende have, waarbij de meeste mensen nu eenmaal emoties hebben. Dergelijke emoties zijn vaak niet gestoeld op feiten of echte waarheden of wetenschappelijk onderbouwde theorieën. Denk aan de recente verkiezingsretoriek van de Partij voor de Dieren over de paardensport. Vergelijkbaar waren de wonderlijke reacties op social media over de vleesbranche naar aanleiding van de met een verborgen camera opgenomen beelden in een Belgisch slachthuis. Men bedient zich graag van onwaarheden of halve waarheden om de emotionele mening kracht bij te zetten of om een mening overtuigender over te laten komen. Ook bij juridische conflicten laat men zich graag negatief uit over de wederpartij. Dat is begrijpelijk, men heeft nu eenmaal negatieve gedachten bij die wederpartij en men wil die gedachten graag delen, maar dat is niet altijd verstandig, en soms zelfs civielrechtelijk en/of strafrechtelijk onrechtmatig.

Wat mag wel, en wat niet?

Vooral in mijn hippische praktijk komt het veelvuldig voor dat cliënten menen beschadigd te zijn op social media of in artikelen op internet of in andere media. De verleiding is dan altijd groot om in de tegenaanval te gaan en eens eventjes heel duidelijk te laten weten hoe de vork werkelijk in de steel zit, want “Dat is smaad en laster!”. Bij het verschijnen van negatieve berichtgeving wordt te vaak en te snel geroepen dat sprake is van laster of smaad of van onrechtmatige en vooral schadelijke publicaties. Maar, wat mag wel en wat mag niet?

 

Vrijheid van meningsuiting

Voorop gesteld moet worden dat wij een grondwettelijk verankerde vrijheid van meningsuiting kennen en die vrijheid van meningsuiting is ook vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Die vrijheid van meningsuiting is niet oneindig. Zoals altijd, eindigt iemands recht daar waar een recht van een ander aanvangt. Een meningsuiting hoe grondwettelijk verankerd ook, kan ook onrechtmatig zijn. Een uiting kan iemands eer of goede naam aantasten of iemands privacy schenden. De onrechtmatigheid van een uiting wordt in Nederland zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk beschermd. Ons Wetboek van Strafrecht kent een aantal strafbare feiten gerelateerd aan meningsuiting, waaronder smaad en smaadschrift, laster en eenvoudige belediging. Smaad en smaadschrift hebben betrekking op beschuldiging van een bepaald feit. Laster is beschuldiging van een bepaald feit, terwijl men weet dat die beschuldiging in strijd is met de waarheid en eenvoudige belediging betekent een andere belediging dan smaad of laster.

 

Onrechtmatige uiting

Privaatrechtelijk kunnen onrechtmatige uitingen worden aangepakt op grond van het leerstuk van de onrechtmatige daad. Een onrechtmatige uiting maakt dan inbreuk op een recht of kan in strijd zijn met een wettelijke plicht of kan op een andere manier volgens het ongeschreven recht in strijd zijn met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Wanneer een uiting civielrechtelijk onrechtmatig is, dan kan degene die daardoor schade lijdt die schade in een civielrechtelijke procedure vorderen van degene die de onrechtmatige uiting heeft gedaan. Het hoeft hier geen betoog dat schadevergoeding pas kan worden toegewezen als de schade kan worden vastgesteld. Dat blijkt in de praktijk vaak een probleem. De negatieve publiciteit voelt vaak schadelijker dan de schade in werkelijkheid is. Daarnaast kan er civielrechtelijk een verbod of een gebod worden uitgesproken. Denk aan een verbod op herhaling of het gebod tot het plaatsen  van een rectificatie. Een rechter zal dus altijd een belangenafweging moeten maken tussen het recht van meningsuiting en het recht om niet aangetast of beledigd te worden en geen schade te ondervinden.

In jurisprudentie is een aantal omstandigheden geformuleerd waarmee een rechter rekening moet houden bij de afweging van die belangen. Die omstandigheden zijn onder andere:

 

  • de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;
  • de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de publicatie aan de kaak probeerde te stellen;
  • de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
  • de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de hiervoor bedoelde omstandigheden;
  • de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de uiting via de pers het in het algemeen belang, het nagestreefde doel, langs andere, voor de andere partij minder schadelijke weg en met een redelijke kans op spoedig succes, had kunnen worden gerealiseerd;
  • het al dan niet toegepast zijn van een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die er door wordt getroffen.
  • het gezag van de bron (de omstandigheid dat uitlatingen afkomstig zijn van de persoon die een zeker gezag aan zijn positie kan ontleden);
  • de publieke discussie (de omstandigheid dat het slachtoffer zelf publiciteit heeft gezocht);
  • de aard en werkwijze van de media (de mate van openbaarheid van de publicatie,  de indringendheid van het betreffende medium en de werkwijze bij de nieuwsgaring).

Als er negatieve pers verschijnt is er dus niet altijd vanzelfsprekend sprake van onrechtmatige uitingen, smaad, laster of belediging, hoe vervelend, aangrijpend en wellicht schadelijk zulke negatieve aandacht ook kan zijn. Daarvoor is veel meer nodig. Anderzijds moet iedereen die zich over een ander uitlaat dat wel met enige mate van zorgvuldigheid doen op het gevaar af dat wel sprake is van smaad, laster of belediging of sprake is van een onrechtmatige uiting met alle eventuele schadelijke gevolgen van dien.

 

Iets doen, of juist niets doen?

Indien cliënten mij vragen om iets te doen aan een in hun ogen onrechtmatige uiting en ik kom tot de juridische conclusie dat er inderdaad sprake is van een onrechtmatige uiting, adviseer ik meestal nog eens goed de gevolgen te overwegen van juridische stappen. Het is mijn ervaring dat bijvoorbeeld een rectificatie opnieuw veel stof over het onderwerp doet opwaaien, meestal meer stof dan de oorspronkelijke publicatie waarvan rectificatie wordt verlangd. Hetzelfde geldt uiteraard voor aangifte van smaad of laster of een vordering tot gebod of een verbod in bijvoorbeeld een kort geding waarvan de pers, ongeacht de uitkomst van het kort geding, zal smullen. Als je wordt geschoren, moet je stil zitten, maar niet oneindig lang.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact op met Wibe Reddingius door te bellen naar 010 – 411 41 46 of te mailen naar reddingius@langelaarklinkhamer.com.

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift De Hippische Ondernemer

Gerelateerde blog posts

Comments
Wibe Reddingius
Wibe Reddingius

Wibe Reddingius is advocaat en partner bij Langelaar Klinkhamer Advocaten. Hij specialiseert zich op het gebied van het ondernemingsrecht, contractenrecht en (internationaal) handelsrecht. Daarnaast is Wibe specialist op het gebied van het hippisch recht en is hij als zodanig advocaat van bekende ruiters en amazones, fokkers, handelaren en hippische brancheorganisaties. Vragen naar aanleiding van deze blog post? Neem contact op met Wibe door te mailen naar reddingius@langelaarklinkhamer.com.

Nederlands